Menu Sluiten

Het gewone volk zegt wel eens dat de tijd vliegt. Een belachelijk zinnetje eigenlijk, eenmaal u er over nadenkt. Hoe kan tijd, iets waar we trouwens van moeten geloven dat het bestaat, nu in Godsnaam vliegen? Neen, vogels vliegen, draken vliegen, verdomd… vliegen vliegen zelfs! Maar tijd? Vliegen? Neen, tijd gaat vooruit. En soms gaat dat wat sneller dan anders. Zo zij het.

Het had juist het week einde geweest; de nieuwe werkweek was begonnen. De bende had elkaar doorheen die twee dagen beter leren kennen. Zo kwam de nobele ridder erachter dat de simpele boer toch niet zo simpel was. Bleek dat die nog knaap was geweest onder toezicht van de befaamde gedachtelezers. Hij had zelfs zijn proefperiode daarginds vervolledigd.
Over de roepende reus had de nobele ridder geen gedachteverandering gehad; die kende hij immers al langer dan vandaag.  

“Verdomd.” Vloekte de boer plotseling; hij wees naar de zware regenval. Bevreesd imagineerde de ridder aan de rit naar het kasteel, door die verschrikkelijke regen. Raar als het lijken mag, de ridder was niet welbekend met het paardrijden, hij had het al enkele jaren niet meer gedaan.

“Geen zorgen.” Kalmeerde de reus, “Ik heb gisteren al een postduif verstuurd, naar de Fransman.”. De Fransman had paard en kar, ideaal in gevallen als deze. De enorme schrik viel van de schouders van de ridder. Bleek dat de reus met de Fransman had geregeld dat we hem altijd mochten vragen ons te komen halen.

Enkele minuten later arriveerde er een duif met de boodschap buiten te gaan staan. In de verte hoorden men de paarden de kar trekken. De bende dacht meteen aan wat voor kar het zou zijn.
De reus dacht aan een grote, houten kar met een linnen doek dat verwijderd kan worden van het skelet. De ruiter zou goed verwarmd zitten in het modernste houtwerk dat de markt kon bieden, met een ingebouwd kompas en een plek voor de kaart te plaatsen. Voor de passagiers een ruime zitplaats, met enkele ruimte voor hun reiswaren.
De boer dacht aan een tamelijk sportief type, retro, uit de jaren 800. Een kar waar er nooit vijf personen in zouden raken.
De ridder dacht niet meteen aan iets, hij was al blij dat hij niet met zijn loyale ros door die verschrikkelijke regenval moest.

Een zonnige ochtend; één van de weinige deze week.

Uiteindelijk arriveerde de Fransman dan, in het kleinste karretje dat de bende ooit had gezien. Met veel moeite en een beetje denkwerk raakten men er allemaal in. Uiteraard mocht de ridder geplet in het midden zitten; zodat hij met elke bocht het arme Spaanse kind mocht beschermen door zelf bijna te bezwijken onder het gewicht van de boer.

Op het kasteel stuurde de reus, die aan het zelfde project werkte als de ridder, constant brieven met weinig nuttigs op. Zoals normaal eigenlijk, enkel wou de ridder graag verder werken aan zijn deel van het defensieve plan.

Ziet u, de koning had gevraagd aan de twee om een defensief plan uit te werken voor het geval er een draak het kasteel zou aanvallen. Nu moesten ze eerst enkele defensieve plannen van andere kastelen opzoeken. Dit lijkt misschien alsof het gemakkelijk werk is maar niet alle plannen zijn even goed. Ze moesten steeds in vraag stellen hoe goed het kasteel er voorstond. En voor hoelang staan zij er al zo goed voor? Zitten er fouten in het plan? Minuscule details die ervoor zorgen dat een kiezel de muur kan breken? Er stond dus enkele stress op de twee.

En met de constante barrage van brieven die de reus stuurde zag de ridder even het bos door de bomen niet meer en dat is gevaarlijk; de vijand zit namelijk altijd in het bos. De ridder, koppig als hij is, besloot niet te vragen aan de reus om te stoppen. Dat moest de reus maar aanvoelen. Er lag zeker en vast enkele dagen wat spanning op de groep. Maar, ergens heeft dat goed gedaan. Soms is dat nodig, zo wist elke lid meteen waar de grens lag.

Uiteraard, na de presentatie van het defensieve plan; dat trouwens van een leien dakje verliep, verdween die spanning als sneeuw voor de zon. Bleek dat de ridder kampte met faalangst, of toch een zekere vorm daarvan. Ach ja, zal wel niets zijn geweest.

En dan nu, een klein gedichtje om af te sluiten.

Toen het was,
was het toen?

Haalt uwe was,
uit de was.

Ik was!
U was?

Maar, wie is?

Allez bon mijne was is af,
Ik zie u volgende week!