Menu Sluiten

Mijn allerliefsten lezers

Ik schrijf u deze brief in allerminst spoed. Weet dat u een speciaal plekje heeft in mijn kloppend hart. Het zal nu wel duidelijk wezen dat de continuatie van de wekelijkse brief is onderbroken. Ik had, hand op hart, niets liever willen doen dan u schrijven maar bij de Goden, de voorbije weken waren zo onbewogen. Er zijn uiteraard wel enkele dingen gebeurd maar… niets om over naar huis te schrijven.

Toch, om u niet naar bed te sturen met lege handen zal ik u een kleine anekdote meegeven.

De ridder, schrijver der brieven.

Het was vroeg, de lucht was nog koud van de nacht. Op de zadels hing damp, niets dat een lap stof niet kon oplossen. Een heus avontuur stond ons op te wachten aan de voet van de berg.

“Zeg eens ridder, neemt gij uw knapzak mee?” vroeg de reus. Ik knikte, waarop de reus twee kruiken vol water naar me wierp.

“Uw knapzak is immers groter dan de onze, echter logisch dat u ze dan draagt.” vertelde hij. Ik zuchtte, hij had gelijk. Bij geluk had ik het superieure paard, Decathlon, die al veel van mijn last dragen zou.

Met de reus voorop begon ons avontuur. De reus was echter geen krak in het lezen van de kaart maar hij was helaas de enige met een kaart. Het was wijn maken met de druiven die het leven ons biedt. Met de gratie van de Goden aan onze zijde zijn we dan toch zonder al te veel moeite aan de voet van de berg geraakt.

Uit zekerheid bonden we elkaars paarden vast aan elkaar. De ros van de reus aan de knol van boer, de knol van de boer aan mijn hengst, en mijn hengst aan een stevige, eiken boom. Vanaf hier moesten we te voet verder gaan, richting Cancellara! Al snel bereikten we het begin van onze klim. Een onstabiel, kiezelpad dat door een prachtige gaarde van olijfbomen liep zou ons naar de top leiden.

Vanwege de aard van het terrein vroegen de boer en ik ons toch af of dit mogelijks privaat terrein was. Meermaals vroegen we dit luidop aan onze gids, de reus. Die wimpelde de vragen vaal van hem af met een kort, lui antwoord. Maar na de zoveelste keer was hij het beu.

“Mijn heren, heeft u een bord gezien? Neen? Dan is dit geen privaat terrein, haast nu! We zijn er bijna!.”.

Dat was dan het definitieve antwoord op onze vraag.   

Haasten was misschien gemakkelijk voor de boer en de reus, beide met kuiten zo groot en breed als mijn eigen kop. Maar mijn fysiek was niet gebouwd voor het klimmen, zeker niet met al dat extra gewicht op mijn rug.

Plots stopte de reus. Rust dacht ik, maar nee. Twee eigenaardige figuren bleken ons enkele meters voorop op te wachten. Eén van hen leek een kruisboog vast te hebben. Zou dit dan toch privaat terrein zijn. Even later, wandelden zij door. Vals alarm.

Na enkele ontspanningen bereikten we de faux-top. Dit was niet de eigenlijke top van de berg maar ik was dood op. Daarboven was het er rustig, en het uitzicht was adembenemend. Nu ja, dat laatste was misschien een effect van het hoogteverschil.  

Het uitzicht van de Goden.

De boer en de reus gingen voort, zij wouden absoluut de top bereiken. Ik bleef achter.

Op mijn faux-top kwam ik tot rust, even vergat ik alle zorgen, zo wel de mijne als die van de wereld. Hier zou ik met alle plezier de rest van mijn leven blijven, desondanks ik geen olijven lust. Na enkele minuten had ik de omgeving geschetst, het gezoem van de bijen ingenomen, en de rust hemzelve gevonden. Ik besloot te doen wat ik vermoedde nog nooit iemand gedaan had. Ik eiste de berg op, dit ging mijn berg zijn.

In een steen graveerde ik mijn naam en de datum. Zo, dit was nu mijn berg, Berg Tharsisius.

Hierbij benoem ik u Berg Tharsisius

De temperatuur was tegen nu al ferm gestegen en de zon streelde zachtjes mijn gezicht. Ik besloot mijn ogen te sluiten. Nu de twee grootste lawaaimakers van ons land eindelijk samen op stap waren was dit de kans om te genieten van de absolute rust. Maar helaas, ik was te laat want nog geen twee minuten na ik mijn ogen had gesloten keerde het duo al terug.

Ze vertelde me dat ze onderweg een centaur waren tegengekomen, maar dat deed me niets. Ik had al zo vaak centaurs tegengekomen en vaak vond ik het luide klootzakken. Ik liet de jongens nog even rusten vooraleer we terug naar beneden vertrokken.

Lawaaimaker #1 en Lawaaimaker #2

Het kiezelpad was echter levensgevaarlijk om af te dalen.

“Heren, wandelt op het gras, dan kan u niet uitglijden.” waarschuwde de boer. Hij had gelijk, het gras was veel veiliger!

En daar eindigt de anekdote. We zijn allen veilig thuis geraakt en de paarden waren niet gestolen. Wij hebben alleszins enorm genoten van ons avontuur, ik hoop dat u er ook van heeft kunnen genieten. Ik beloof u trouw dat u binnenkort nog van ons hoort.

Eeuwig goedgezinde groeten,

De reus, de boer, de ridder.