Menu Sluiten

Beste lezer, zoals u zo dadelijk zal zien is de lay-out van mijn blog veranderd. Na het schrijven van mijn eerste blog besefte ik dat dit wekelijkse verhaal beter tot stand kan komen als het ook als echt verhaal geschreven wordt. Dus zegt u maar vaarwel tegen het dagboek formaat; dat zal u hier niet meer terugvinden. Alvast veel leesplezier gewenst.

Aan de voet van één van de vele bergen, ligt er een kasteel, het Kasteel van Egina. Het is zeker geen groot kasteel, u als gewone burger zal hoogstwaarschijnlijk al wel grotere gezien hebben in uw alledaagse leven, geen slechte bijbedoelingen uiteraard. Misschien werkt uw wel in één van die grote kastelen. Misschien bent u daar gelukkig, misschien bent u dat niet.

Het voordeel van zo’n klein kasteel zit hem in de details. Iets waar de drie Vlamingen snel achter zouden komen. Bij aankomst op het kasteel, na het wegzetten van hun “capabele” rossen, werden ze met open armen ontvangen door de rechterhand van de koning, een goedlachs man die hun het kasteel zou tonen.

Men bezocht eerst de kamer der kunst, waar schilders en dichters hun creatieve sappen lieten vloeien, als schrijver dacht de nobele ridder hier te zitten. Maar nee, hier zou de simpele boer doorheen de week werken. Men ging voort, richting gemeenschappelijk gebied. Hier zaten vier jonkvrouwen die, dankzij de charmante looks van de nobele ridder, meteen in zwijm vielen. De rechterhand vertelde de jongens dat zij zich voornamelijk bezighielden met de uitstraling en communicatie van het kasteel.
“Zeker wel,” dacht de ridder, “hier zal ik geplaatst worden.”. Maar nee, hier werd de roepende reus gezet. De bende passeerde de keuken, waar er gekookt zou worden voor hen later die dag.
Men nam de trap naar boven, voorbij queeste-management. Er zat een man daar, een Fransman, die bij het horen van ‘België’ spontaan Frans sprak met de jongens. Zij deden hun best uiteraard maar helaas, ze snapten er geen hol van.
“Ah, u bent van Vlaanderen zeker?” vroeg hij met hangend hoofd en een dik Frans accent, waarop de jongens ja knikten. Plots sprong er een vrouw vanachter haar papyrusrol. Bleek dat zij nog knaap was geweest in Vlaanderen. Dit wekte interesse op bij de jongens. Ze vroegen haar waar ze toen verbleef.
“Brugge.” zei ze trots. De interesse was weg.
Vervolgens kwam men in de troonhal waar normaal de koning, de rechterhand en de koningin zitten. Maar natuurlijk, daarom dat de nobele ridder nog nergens gezet was. Immers logisch dat adel bij adel zit, nietwaar? En jawel, de rechterhand wees met zijn vinger naar de lege stoel.
“Voor jou.” zei hij. Vereerd knikte de nobele ridder, hij keek richting zijn twee landgenoten, die zijn air al van kilometers ver zagen aankomen. Langs de administratieve bibliotheek, waar de jongens hoogstwaarschijnlijk nooit moesten zijn, gingen ze weer naar buiten.

Ze bewonderden even samen de prachtige grond van het kasteel terwijl ze terug naar de hoofdpoort wandelden. “Ik moet jullie nog één ding tonen.” zei de rechterhand.  Hij bracht hen naar een klein kamertje, verborgen in de diepe holtes van het kasteel. Was dit een truc, een valstrik?

De drie gingen zitten aan een ronde, houten tafel. Aan de muur hing een magische spiegel, maar die was nog niet wakker. Aan de blik van de nobele ridder kon de reus zien dat er een vuiltje in de lucht hing. Hij stootte de boer wakker en knikte in de richting van de ridder. Nu iedereen op zijn hoede was kon men de spanning voelen in kamer, wachtend op een bui. Onschuldig rijkte de rechterhand met zijn linkerhand onder de tafel. De nobele ridder, eeuwig levend in schrik, nam uit voorzorg stevig het handel van zijn zwaard. De boer kopieerde de ridder en hield nog steviger de stengel van zijn hooivork vast. De reus bereidde al vast zijn stembanden klaar, om de vijand te verdoven. 

“Een welkom pakket.” Vertelde de rechterhand in gebroken Engels terwijl hij drie bundels papieren om de tafel smeet. De kalmte keerde terug. Bleek dat het vuile luchtje een scheetje was geweest van de reus. Ach ja, misverstanden bestaan, missen is menselijk.

De eerste paar dagen waren onbewogen. Buiten de “Hel van Foligno”, een helse berg waar de jongens elke dag over moeten traverseren, door wind en regen, was er niet veels spannend aan hun dagen. Geen draken om te slachten, geen jonkvrouwen om te redden, geen tafels om te ronden. De boer klaagde, hij had immers altijd gewerkt met aardappelen en hier moest hij komkommers telen. Telkens als hij vroeg achter de aardappelteelt vertelden men hem, “binnenkort”. Dit kleine woordje hield hij dicht tot zijn hart, hoopvol droomde hij over zijn prachtige patatten.
De reus, voor de eerste keer in zijn leven, ervoer hoe elke arme ziel zich had gevoeld als hij zijn grote muil had opengetrokken. De jonkvrouwen alleen brachten hem tot zijn knieën. Het maakte niet uit hoe hard hij zuchtte en pufte, de jonkvrouwen werden niet stiller.
De ridder daarentegen zat goed, meestal toch. Het was er rustig in de koninklijke hal, en men liet hem vaak doen. Soms werd er wel eens gelachen in een andere taal en dan wist hij niet wat te doen, maar dat maakte hem uiteindelijk niet zoveel uit. Wat hij wel raar vond, en dit had hij werkelijk nog nooit meegemaakt, was dat ondanks dat de Italianen het koud hadden ze nog steeds het raam openden, en de open haarden bleven ook onverlicht. Vreemd volk.

Op vrijdag maakte de bende echt kennis met het andere kasteelvolk. De koning en zijn rechterhand hadden een internationaal festijn georganiseerd op het buitenplein. Bijna iedereen was er. De nobele ridder had volgens de andere twee te veel gedronken, waar hij het absoluut niet mee eens was. Tevreden met de geslaagde avond nodigde de ridder onbezonnen de Spaanse furie en de Fransman uit voor een drankje en een hapje bij hen thuis. Uiteraard kon dit niet, met de pest om de hoek en al.

Zo, u bent weer op de hoogte. Volgende week ben ik er weer met meer mythos der drie Vlamingen.